| |
Valkerij Museum
Het vluchtbedrijf, het jagen met vogels, is één van de
spectaculairste vormen van jacht. Valkerij is de kunst
de jachtvogel zodanig onder controle te hebben dat men
hem op een bepaald tijdstip zijn vlucht op een vrije
prooi in de vrije natuur kan laten uitvoeren. Voor de
hoge vlucht op vogels worden valken gebezigd, waarbij de
slechtvalk en de grotere gier- of geervalk favoriet
zijn. Voor de jacht op laagvliegend en lopend wild
worden havik en sperwer ingezet.
De oorsprong van het vluchtbedrijf ligt duizenden jaren
voor onze jaartelling in de onafzienbare steppen van
Centraal-Azië. Met mogelijk Turkestan als basis
verbreidt zich de valkerij via China naar Japan en
later, via volksverhuizingen, naar het Zuiden en het
Westen. Wanneer in de tijd der Kruistochten het verloren
gegane contact met de Oriënt wordt hersteld krijgt het
vluchtbedrijf in Europa nieuwe impulsen. Met name in de
Arabische landen staat de valkerij op een hoog peil.
Tevens beschikt men daar over een omvangrijke literatuur
met grote
ornithologische kennis. De gestegen belangstelling leidt ook in
Europa tot de eerste wetenschappelijke benadering. De Staufische keizer Frederik II (1194 – 1250) publiceert
met zijn “Over de kunst van het jagen
met vogels (“De
Arte Venandi cum Avibus”) een compleet werk, dat zowel
de vogels als de vangwijze en de verzorging ervan
behandelt.
Het Brabantse platteland, vooral het Kempische
heidegebied, schaars bebost en heuvelachtig met verre
einders, gelegen in de trekroute van de slechtvalk,
heeft kunnen profiteren van de toegenomen vraag naar
jachtvogels. Er ontstaat een klasse van valkeniers, die
de ploegschaar heeft geruild voor boognet en loer (of
kunstprooi). Ook leveren zij het bij het vederspel
behorende jachtgerief als valkenkappen of huiven,
langveters, ‘schoenen’ of andere fournituren. De kunst
van het vangen en africhten verspreidt zich als een
olievlek over de Kempen en mede door toedoen van
landvoogdes Maria van Hongarije (1531 – 1555) wordt de
faam van de Brabantse Valkerij in de zestiende eeuw aan
de West-Europese hoven gevestigd.
Naast Arendonk komt met name Valkenswaard op als
verzamelplaats van valkeniers. De geschiedenis van de
valk en de valkerij in Valkenswaard gaat vele honderden
jaren terug. Wie tot in de 19e eeuw in het bezit was van
een getrainde valk kon zijn gezin goed onderhouden.
Gedurende vele eeuwen werd de valkerij gebruikt voor
het vermaak van rijke aristocraten en vorstenhuizen.
In de 16e eeuw ontwikkelde zich de kunst van het vangen
en africhten van valken in het Brabantse land, waar de
trekroute van de slechtvalk gelegen is. Met Arendonk als
centrum ontwikkelde zich in de Kempen een
gespecialiseerde vangtechniek, waarbij in de herfst de
valken onder de boognetten worden gevangen, vervolgens
tam of ‘zeeg’ gemaakt en daarna ‘getreind’ of afgericht
voor de vlucht. Valkenswaard groeide dan uit tot het
belangrijkste centrum van de valkenvangst. Vele
vorstenhuizen maakten gebruik van de Valkenswaardse
valkeniers waardoor de welvaart in Valkenswaard enorm
toenam en de valkeniers in aanzien stegen.
Door landschapsveranderingen en de komst van het
hagelgeweer werd de valkerij steeds minder beoefend. De
hoge kosten van het houden van jachtvogels waren voor de
vorsten nog maar moeilijk op te brengen. In de 19e eeuw
kwam het einde van de valkerij snel in zicht. Vandaag de
dag wordt de valkerij nog slechts bedreven door
hobbyisten.
De complete geschiedenis van de valkerij en vooral de
grote rol van Valkenswaard als belangrijkste centrum
daarin, is uitgebreid te zien en te beluisteren in het
Valkerij Museum.
|





|
|